‘Je bent lief’, zei ma nadrukkelijk tegen mij. Vorige week, net voordat ze stierf.

Ik was overrompeld, wist niet wat ik moest zeggen. ‘Er bestaan weinig slechte mensen’, mompelde ik maar. Later thuis, wist ik wat ik had móeten zeggen. ‘Ik ben nooit slecht geweest, moeder. Ik was een onschuldig kind, waar geen kwade bedoeling in zat.’

Dat had ik moeten zeggen. Dat was misschien een opening geweest voor, eindelijk, een louterend gesprek. Want ik heb bepaald geen gelukkige jeugd had, bij haar, dankzij haar. Haar aanvallen op mij waren vernietigend. Dat ze zich later nooit ergens voor wilde excuseren, was misschien wel nóg vernietigender.

Een eenmalig ‘Je bent lief’, daar zal ik het de rest van mijn leven mee moeten doen. We zullen het maar vertalen als een ‘sorry’.