Heel vroeger dacht ik, in mijn jeugdige overmoed, dat een overstroming eigenlijk niet ernstig kan zijn. Een  mens kan toch zwemmen, en het is toch maar water?

Als straf voor die domheid heb ik vorige week zowat alles gekeken over de ramp van ’53. Om te leren dat burgemeesters in bed bleven liggen, radiozenders om middernacht uit de lucht gingen en vloedplanken niet geplaatst werden omdat de politie daar geen zin in had. Ontzag voor het gezag was toen nog van een ander kaliber dan nu.

Mensen die de ramp overleefd hebben, vertelden hoe ze aan de dakgoot hingen, het dode paard van de buurman voorbij zagen drijven en zelf bijna verdronken. Velen doen nu, zeventig jaar later, nog steeds geen oog dicht als het stormt. Een vrouw toonde haar overlevingspakket dat ze altijd klaar heeft liggen. Met een bijltje, twee flessen water en een deken voor als ze ooit weer op het dak moet gaan zitten.

En dat allemaal voor een beetje water, pfff.