Om een of andere curieuze reden heeft vriend R wel een kaart meegenomen, maar niet zijn telefoon. De mijne ligt bewust thuis, want voor een zondags fietstochtje door de polder heb ik geen mobiel nodig.
Zonder technologie, nouja, wel met trapondersteuning, fietsen we dus 50 kilometer door de polder. Op een kruispunt in een dorp vouwen we de kaart open op ons stuur, proberen hem in bedwang te houden in de straffe wind, om te bepalen welke kant we op zullen gaan. Mijn handige fietsrouteboekje ligt ook thuis, want in grote lijnen ken ik de weg wel hier. Een automobilist stopt en vraagt vanuit zijn open raampje of we hulp nodig hebben. Dat komt natuurlijk door die ouderwetse kaart. Hadden we op onze telefoons staan turen, dan stopt er niemand.
‘Ik voelde me toch een beetje onthand, zo zonder telefoon’, zegt R als we bijna thuis zijn. ‘Stel dat iemand gebeld heeft en het was dringend.’ ‘Ja hoor’, reageer ik spottend. ‘Je neef lag plotseling op sterven en nu is hij dood. Met je telefoon had je hem nog uit kunnen zwaaien naar het hiernamaals’. ‘Of ze hebben gebeld van de loterij’, fantaseert R. ‘U nam niet op dus de prijs gaat naar iemand anders.’
Niks gemist dus.
Leave A Comment